Zitvolleybal

Zitvolleybal is een zittende variatie op het zaalvolleybal. De sport is bedoeld voor mensen met een beperking aan een of twee benen, maar is door iedereen te beoefenen.

Wat is zitvolleybal?

Zitvolleybal wordt gespeeld op een veld van zes meter bij tien meter en is daarmee een stuk kleiner van het zaalvolleybalveld. Ook bij zitvolleybal bevindt zich een net in het midden met een hoogte van 1,15 meter bij de mannen en 1,05 meter bij de vrouwen. Ieder team telt zes spelers.

De spelregels verschillen niet veel van het zaalvolleybal, maar er is één hele belangrijke regel. Spelers mogen tijdens het spelen niet het contact met de vloer verliezen wanneer zij contact hebben met de bal. Dit maakt de sport enorm populair onder mensen met een beperking aan één of beide benen. De sport mag door een ieder worden beoefend in Nederland en is een officieel onderdeel van de Nederlandse volleybalbond, NeVoBo. De sport is internationaal aangesloten bij de WOVD en is sinds 1980 een officiële sport op de Paralympics.

Stukje geschiedenis

In 1953 was er al het een en ander te doen omtrent volleybal voor gehandicapten. De sport werd dankzij een initiatief van Militair Revalidatiecentrum Aardenburg op de been gezet. Een van de activiteiten die het centrum aanspoorde was het rolstoelvolleybal. De spelers bestonden voornamelijk uit mensen met dwarslaesies en oorlogsslachtoffers. Het spel werd gespeeld in teams van vier en een set duurde maximaal een kwartier.

Twee jaar later ontwikkelden Tammo van der Scheer en Anton Albers in 1955 het hedendaagse zitvolleybal.

Regels

Er zijn een aantal regels aangepast om het zitvolleybal niet volstrekt onmogelijk te maken. Zo hangt het net wat lager, mag er niet met de vuist worden gesmasht en mogen spelers het contact met de vloer niet verliezen wanneer zij contact hebben met de bal. Initieel hing het net op 1,10 meter, maar in 2006 veranderde deze norm naar 1,15 meter voor de mannen en van 1,00 meter naar 1,05 meter voor de vrouwen. Verder zijn er geen regels gewijzigd en is het spel nog zoals Van der Scheer en Albers deze bedachten in 1955.